DEEL EEN: Het paard gaat er niet meer met mij vandoor

Zomaar een zin uit De Troubadour: ‘Hij zong voor groot en klein publiek.’ Datzelfde geldt tegenwoordig voor Lenny Kuhr zelf. Na een volle carrière met hits en aandacht kiest ze nu voor optredens in kleine, intieme theaters. Onlangs kwam haar eenendertigste album uit en naar aanleiding daarvan spraken wij over muziek en tekst, over songfestival en stemverlies – over geheimen en over heimwee.

Op de nieuwe cd staan veertien liederen, die niet alleen tekstueel, maar ook muzikaal verrassen. Oh mijn lief, bijvoorbeeld, klinkt als een optelling van invloeden uit de volksmuziek van heel veel verschillende landen.
Ik pakte mijn gitaar, nadat ik even naar de klassieke Egyptische zangeres Oum Kalthoum had geluisterd. Die zingt in één toonsoort. Nou ja, dat mag je niet zo noemen, want die Arabische toonladders hebben geen akkoorden. Maar in mijn vertaling was het Gis-mineur. Toen dacht ik: zij zingt één lied van wel zeven minuten of nog langer, in één toonsoort, dat is te gek gewoon, ik zal eens kijken of ik dat kan. Ik kreeg er ontzettend veel plezier in. En toen ineens voelde ik dat het iets opriep dat met een verwachting te maken heeft, met het nog niet ingelost verlangen. Dat vind ik een spannend gegeven: je bouwt je verlangen op. Daarom zing ik ook maar twee tekstregels in dat lied. ‘Al die tijd wachtte ik op jou. Oh mijn lief, morgen ontmoet ik jou.’

Ik hoor ook iets Grieks, iets bazouki-achtigs.
Er zit van alles in. Het klinkt heel Zuid-Europees of Oosters. Mijn muziek is nooit zo Amerikaans geïnspireerd. Veel eerder Spaans, Portugees, Frans, Israëlisch. Die pure muziek vind ik nog altijd heel mooi. Muziek die akoestisch gespeeld wordt.

Was je al vroeg bekend met die verschillende muziekstijlen?
Ja, van kinds af aan. Mahalia Jackson bijvoorbeeld, vroeger, die gospels zong, recht uit haar hart. Ik vond dat ongelooflijk. Ik kon me niet voorstellen dat zoiets bestond. Maar ik werd het meest geraakt door Zuid-Amerikaanse muziek, Portugese, door Zigeuner- en Balkanliederen. Ik luisterde veel naar zangeressen als Maria Dolores, en naar Portugese fado’s, die vond ik prachtig.

Ontdekte je alles zelf of werd het je aangereikt?
Ik begon het te ontdekken het toen ik een jaar of vijftien was. Dan gingen we een dagje vanuit Eindhoven, waar ik woonde, naar Amsterdam. Ik kocht platen op het Waterlooplein, ik zag iets bijzonders en dacht: dat zal ik eens meenemen. En later, voordat ik echt het vak in ging, werkte ik in een platenzaak. Ik was zeventien en moest toch wat geld hebben, ik verdiende nog niet genoeg met zingen. Alles wat daar nieuw binnenkwam kon ik beluisteren. Ook klassiek, en die invloeden hoor je ook nog in mijn muziek. Ik vind het spannend wanneer een maat ineens uit een patroon stapt. Ik heb dat heel vaak gebruikt: een zevenkwart, een negenkwart, een vijfkwart. Dat is voor mij zelfs een spiritueel iets. Je bent gewend om binnen je eigen raamwerk te blijven, maar wanneer je dat verlegt, verleg je ook je horizon. Niet alleen je muzikale spectrum wordt ruimer, maar ook je visie op het leven.

Begin jaren negentig kreeg je een stembreuk: je raakte, binnen een week, je stem kwijt. Je kon niet meer zingen. Pas na een jaar kwam hij heel langzaam terug.
Ik heb ook heel lang niet kunnen spreken. Dat was natuurlijk verschrikkelijk. Eerst was er paniek, ik was mijn beroep kwijt, mijn zijn, mijn identiteit, Maar weet je, zoals ik daarstraks zei over de muziek van Oum Kalthoum: binnen een beperking zijn er legio mogelijkheden. Dat vind ik mooi. Toen mijn stem voorzichtig terugkwam, heel dun nog, heel kwetsbaar, zei ik tegen mezelf: dit is mijn honderd procent. Mijn stem had op dat moment misschien nog maar twintig of dertig procent van de kracht die ik eerder had, maar ik dacht: ik ga er alles mee uitdrukken wat ik eerder heb gekund, en misschien nog meer. De beperking maakt je vindingrijk, je gaat het zoeken in de nuances.

Lukte je het je echt om te bedenken: goed, dit is het nu?
Ja, ja. Ik ging zelfs houden van die kwetsbare stem. Ik wist toen ook nog niet dat de diepte weer terug zou komen, dat heeft jaren geduurd. Ik heb toen een cd opgenomen en de mensen vonden die heel mooi. De trilling van mijn stem, de hoogte, die was wel herkenbaar. Dus ik wil zeggen: wanneer je je beperkt, moet je andere organen in jezelf aanspreken. Dat zit hem dan vaak in de verfijning. Ik noem dat: werken vanuit een gebundelde kracht. Een kracht die nog niet alles prijsgeeft.

Bedoel je dat er een arsenaal aan muzikale mogelijkheden in je hoofd zit? Waardoor er, als je een liedje gaat maken, iets breeds naar voren komt?
Of juist het tegenovergestelde. Ik heb al vele paden bewandeld. Je hebt zoveel verschillende maatsoorten en die zijn allemaal mooi en leuk. Maar wat gebeurt er nou als je bij een heel simpel liedje blijft? Net als je bijvoorbeeld een capaciteit van tweeënhalf octaaf in je stem hebt. Je gebruikt meestal anderhalf octaaf, maar af en toe pak je uit. Dan denk je: wow, dat kan ze ook!

Houd je van je stem?
Vaak wel. Soms hoor ik wel eens een bepaalde toon… Die vind ik niet zo aangenaam eigenlijk. Dan denk ik: ja, nou, dat mag ook. Soms bén ik ook minder aangenaam. Het hoort er allemaal bij. Alle aspecten die een mens kan hebben, hoor ik eigenlijk wel in mijn stem.

In hoeverre is hij nog familie van je stem uit de jaren zestig?
Hij komt daar uit voort. Mijn stem is het instrument waarmee ik heb leren zingen. Maar je hoort er ook de levenservaring in, de rijpheid. Ja, je hoort er de leeftijd zelf in. En ik heb geleerd hoe ik dat instrument moet gebruiken. Hoe zorg je ervoor dat het geen schade oploopt, wat heb je ervoor over, hoe ga je er respectvol mee om? Als ik heel erg verkouden ben zeg ik een concert af. Ik treed sowieso niet teveel op, maar ook de techniek is belangrijk: de geluidsapparatuur die je gebruikt, en natuurlijk je zangtechniek. Ik ben niet krampachtig voorzichtig, maar ik vertik het gewoon om mijn stem kapot te zingen.

Wat hoor je als je opnames uit die tijd terugluistert?
Ik hoor het enorme vuur dat ik had, waarvan ik nu kan zeggen dat ik het beter kan beteugelen. Dat komt ook omdat ik er, na de periode van mijn stemverlies, ontspannener tegenover sta. Dat wil niet zeggen dat ik me niet volledig geef als ik zing, dat heb ik altijd gedaan. Maar ik snap het beter. Ik snap het leven ook beter. En dat hoor je. Het paard gaat er niet meer met mij vandoor.

Hoe brandend was dat muzikale vuur destijds? Je begon als zestien-, zeventienjarige.
Ik hunkerde er steeds naar om naar mijn kamertje te gaan en nieuwe muziek te schrijven. Dat was gewoon het mooiste dat ik kon bedenken. Dat ik daar zat en dat ik dan iets nieuws kon verzinnen, dat was gewoon zo te gek. Ik had ook het gevoel dat ik wel duizend liedjes kon maken.

Zijn het er inmiddels duizend?
Ik weet het niet, het is oneindig. Als ik nu ga zitten maak ik er ook één. Maar ik doe dat niet. Ik doe het alleen als ik dat spannende gevoel heb dat er iets is dat zich wil uitdrukken. Dat is een heel heimisch, een heel fijn gevoel. Het gevoel dat je geheimen in je draagt, die de mensen nog niet kennen, die ik zelf nog niet ken. Op zo’n moment leef je scherp en bewust. Je bent alert, het is een heel wakker, levendig gevoel. Jong ook. Leeftijdloos. Ik had toch ook echt, toen ik achttien was, niet kunnen bedenken, dat ik nu, ik ben zevenenzestig, nog steeds hetzelfde doe. Hetzelfde bén.

Was je een teruggetrokken meisje?
Nee, nee, ik had ook een vriendje toen. We deden hele leuke dingen. Maar men noemt mij altijd een beetje onbereikbaar. Dat komt misschien doordat ik die innerlijke wereld heb, die ik niet altijd prijsgeef. Ik weet het niet. Mensen voelen dat ik nog ergens een geheim heb of zo. Terwijl ik me helemaal niet bewust ben van welk geheim dat dan is, want ik wil overal antwoord op geven. Misschien is het ook wel mooi. Een bepaalde reserve.

Vorig jaar kwam er een boek van je uit. Dat heet, net als de cd, Gekust door de eeuwigheid. De ondertitel is: Reis naar een ruimer bewustzijn.
Het gaat over het mysterie, waaruit je soms kunt putten. Het grote dat in mij valt, wat ik ontvang. Waar je ineens woorden aan kan geven, ook al kunnen dat over een week weer andere woorden zijn. Het werkt vanuit bepaalde principes. De paradox speelt een grote rol. Paradoxen, schijnbare tegenstellingen, maken alles heel levendig. Een paradox doorbreekt de dogma’s. Een dogma is gesloten, alles ligt vast. Een paradox is voor mij een heel spannend, levendig geheel, iets dat zich steeds vernieuwt. Ieder mens is nog onaf en veranderlijk van aard. Als je een oordeel geeft, dan heb je voor jezelf een beeld gemaakt van iemand van dat moment, terwijl diezelfde persoon een jaar of een halfjaar later bijvoorbeeld een totale ommekeer in zichzelf meegemaakt kan hebben. Je moet niet naar een deeltje van de mens kijken, maar naar het geheel. Naar de veranderlijkheid. Ieder mens verlangt naar meer ruimte in zichzelf.

Hoe voorkom je dat oordelen? We hebben met populisme te maken, met oorlog. Met machthebbers die onvoorspelbaar zijn.
Ik probeer dat dan ook van een afstand te bekijken. Hoe het nieuws ook relatief kan zijn, hoe het afhangt waarop ermee omgegaan wordt. Er zijn zoveel aspecten die je niet zo serieus moet nemen. Wat is waar en wat is niet waar? Maar het is waar, we leven in een tijd waarin de uitersten zich aan het verstevigen zijn. Waarin verdeeldheid een steeds grotere rol speelt.

Ben je bang voor polarisatie?
Ik kan alleen maar naar mezelf kijken en zeggen: doe er niet aan mee. Ik voel me veel gelukkiger als ik verbindend kan werken. Ik bedoel: ik ben niet gek, ik ga geen risico’s lopen of zo. Ik buk als er bommen vallen, ik begeef me liever niet in grote menigtes. Maar aan de andere kant: over dertig jaar is alles misschien weer anders. Ik heb geen goed gevoel over Trump, maar heel misschien, héél misschien vergis ik me daarin. Misschien kan hij toch nog iets goeds doen in deze wereld? Je weet het niet. Ik hoop dat ik me in hem vergis. Aan de andere kant: het betekent wel iets dat zo’n man ineens opstaat. Hij is een antwoord op iets dat we zelf hebben gecreëerd in de loop der tijd. De polarisatie komt voort uit angst, denk ik. Je moet ervoor waken daar niet aan mee te doen. Het is niet alleen een zware tijd, maar ook een interessante tijd, omdat ik ook wel veel heel mensen diep zie nadenken.

Voel jij daar, als zangeres, een bepaalde verantwoordelijkheid in? Mensen luisteren naar jou.
Ik weet niet in hoeverre je soms voor eigen parochie preekt. Volgens mij laat ik ook heel veel open, want ik wil mensen niet een bepaalde kant opsturen. Ik wil me niet laten vangen in wat voor dogma dan ook.

En in geen enkele godsdienst?
Wat ik jammer vind is dat iedere godsdienst stiekem denkt: met die van ons kom je in de hemel en alle anderen komen dat eigenlijk niet. Ik heb helemaal niets tegen religies, want ik vind ook de Joodse godsdienst heel mooi. Iedere godsdienst heeft zoveel rijkdom in zich, maar gebruik je verstand en ga niet denken dat die van jou de enige is. Aan de andere kant: als mensen uit hun godsdienst stappen, gooien ze vaak het kind met het badwater weg. Het sublieme bestaat. Gelaagdheid bestaat. Mysterie bestaat. Als je dat allemaal afwijst doe je jezelf tekort. Dan gun je jezelf een kamertje van vier bij vier, terwijl je bij wijze van spreken de eeuwigheid tot je beschikking hebt.

Lees morgen ook deel twee van dit interview: GOUD VINDEN. Over de liefde en over het songfestival van 1969.