Rendez-vous is een van de meest atypische liedjes die Vlaanderen ooit naar het songfestival stuurde. Maar ook een van de bekendste. De winnares uit 1983 is vergeten, maar menig Vlaming kent de volledige tekst van het Pas de deux-lied uit zijn hoofd. Toegegeven, erg omvangrijk is die niet. De enige tekstregel luidt: ‘Rendez-vous, maar de maat is vol en mijn kop is toe’.
Na het festival hield Pas de deux vrij snel op met bestaan. Walter Verdin richtte zich op andere kanten van de kunst, met name de videokunst.
Wat is de achtergrond van zijn veelzijdigheid? Wat is zijn connectie met Afrika? En welke plek heeft Rendez-vous nu, drieëndertig jaar later, nog in zijn leven?

Jij hebt alle uithoeken van de kunst bezocht. Schilderen, muziek maken, grafisch ontwerp, video. Je hebt alleen nog geen roman geschreven.
En niet zelf gedanst. Alhoewel…

Waar komt die veelheid vandaan?
Hm. Dat weet ik niet. Soms denk ik dat het is omdat ik niet kan kiezen. Maar waaróm kan ik dan niet kiezen? Ik zeg ook weleens dat het is omdat ik nergens goed in ben. Dat ik van de hak op de tak spring. Maar als ik het voor mezelf eerlijk beantwoord, dan is het gewoon: ik ben vooral met het geheel bezig. Toen ik een plaat maakte was ik ook aan het denken over de hoes. Het interesseert mij allemaal tegelijkertijd. Dat is altijd zo geweest. Op het college bij de jezuïeten ging ik al elke woensdagmiddag sporten, elke zaterdagmiddag zat ik in het klei-atelier, we waren met keramiek bezig, met theater, ik zong in het koor, al die dingen.

Door een hele sterke ambitie, toen al?
Ja, waarschijnlijk, maar die brede interesse heb ik ook meegekregen van thuis. Mijn vader begon bij de radio en de televisie als presentator, daarna is hij hoofd geworden van de afdeling artistieke en educatieve uitzendingen, en toen hij halverwege de veertig was koos hij voor zijn eigenlijke beroep: hij was classicus. Maar mijn ouders speelden allebei ook piano, en we gingen naar concerten, er stond altijd klassieke muziek op thuis, maar ook popmuziek. Ik wilde artistieke studies gaan doen, maar mijn vader overtuigde me om kunstgeschiedenis te gaan studeren. Hij zei: ‘Leer eerst de basis maar kennen, de kunst kan daarna nog.’ Uiteindelijk ging ik tijdens de laatste jaren van mijn studie al ieder weekend en in de avonden naar de academie. Overigens zijn vier van mijn broers en zussen bezig met iets van kunst. Mijn broer Joris heeft veel meer cd’s gemaakt dan ik.

Je werkt ook met hem samen, toch?
Ja, in Die Kunst der Fuga. Dat is een belangrijk project, omdat het heel ver terug gaat. Naar 1992, toen Steve Paxton, danser en improvisatiegoeroe, de Goldberg Variations van Bach danste, elke avond anders. Het Kaaitheater had mij gevraagd daar een video van te maken. Ik heb toen, om mijn montage te bepalen, heel precies de partituur ontleed. Daarna kreeg ik veel zin om die partituur zelf audiovisueel uit te voeren. Dus niet om er een audiovisuele versie van te maken, maar om het, zoals een pianist dat op zijn piano doet, audiovisueel uit te voeren. Daar ging ik met mijn broer over praten, die is zo’n beetje Bachspecialist, en speelt harmonium en vooral orgel. Joris overtuigde me om niet de Goldberg Variations te doen, maar Die Kunst der Fuga, mede omdat Bach bij dat stuk niet heeft bepaald op welk instrument het gespeeld moet worden. In mijn versie wil ik dus de compositie in geluid en in beeld volgen. Dat is nog altijd niet gebeurd, omdat ik er geen middelen voor gevonden heb. De laatste jaren heb ik geen structurele subsidie meer. Maar in 2012 had ik al beslist: laat ons toch de muziek maar alvast opnemen. Mijn broer was daar de artistiek leider van, we vonden zes fantastische muzikanten, heel breed, van saxofoon tot oed en elektrische gitaar, cello, synthesizer. Voor die opnames hebben we nu een uitgever gevonden, en ik ben bezig met de vormgeving van de hoes.

Kun je nog eens uitleggen wat je bedoelt met ‘het uitvoeren op video’?
Ik wil de structuren die Bach gebruikt heeft op mijn manier volgen, met mijn instrument – videomontage, beelden, geluiden. Dus niet: hier is de muziek en Walter heeft daar beelden op gezet. Nee, nee, mijn beelden zijn de muziek.

Ergens heb je over je kunst gezegd: ‘Je ziet wat je hoort en je hoort wat je ziet’.
Ik denk dat in het algemene leven ook geldt, en dan met de reuk en smaak er nog bij. Soms concentreert kunst zich maar op één gedeelte en wordt de rest verwaarloosd. Het stoort mij bijvoorbeeld onwaarschijnlijk als ik in een theater de vloer van het toneel niet kan zien.

Jij wilt het geheel kunnen bekijken.
Ja, ja.

Is dat wat je ook in je werk nastreeft: het bieden van de meest complete ervaring?
Dat denk ik wel, ja.

Jongeren lijken, door bijvoorbeeld het gamen, nu meerdere indrukken tegelijk aan te kunnen. Dat sluit aan bij wat u biedt.
Ja, misschien. Maar toch krijg ik mijn projecten moeilijk verkocht, dat is een groot probleem. Ik heb nu wel iemand gevonden die voorstellingen gaat regelen voor mijn Timbila Tracks. Ik hoop dat dat lukt. En soms denk ik dat het publiek tegenwoordig wat ontvankelijker zal zijn voor X-AFRIKA, het concert met ritmes, video, dans en muziek, dat ik in de jaren negentig heb gedaan. Maar ondertussen ben ik zelf direct afgeleid. Dat is ook een teken van de tijd, denk ik. Ik zit graag ’s nachts aan de montagetafel, als het helemaal stil is. Dat zijn waarschijnlijk mijn autistische trekjes, en het feit dat ik alles in de hand wil hebben.

Dat lijkt niet per se negatief.
Nee, tenzij voor de zenuwen en voor de burn-out-problematiek.

Ligt die op de loer?
Ja, dat denk ik wel. Ik ben met teveel dingen tegelijkertijd bezig.

Maar dat heb je toch je hele carrière al nagestreefd?
Ja, da’s waar ha ha. Het heeft misschien met ouder worden te maken. Dat ik vroeger wel van het een naar het ander kon springen en daar nu problemen mee heb. Ik ben bijvoorbeeld al een paar keer naar Afrika geweest, om les te geven aan kunststudenten over videodans en dansvideo’s. Dat zijn dan echt fantastische weken, want ik hoef me enkel daar maar mee bezig te houden. Ik zit met heel veel afval van het verleden, als een engel van de geschiedenis die achter mij hangt en waarmee ik nog altijd niet in het reine ben. Waar ik nog altijd mee moet werken. Zoals die Goldberg Variations, die door auteursrechtenkwesties nooit op dvd zijn uitgebracht. Nu, na lang zagen, is dat eindelijk in orde gebracht. Die dingen kunnen zo tijdrovend zijn, en de danser, Steve Paxton, is intussen bijna tachtig jaar. Ik weet niet of hij nog helemaal uit Vermont zal willen komen voor de presentatie.

Er zijn veel losse eindjes.
Ja.

Kun je sommige dingen niet gewoon vergeten?
Dat is moeilijk, want, bijvoorbeeld, van Die Kunst der Fuga brengen we nu de cd uit, maar ga ik ooit nog de video maken of niet? Of: ik heb videoconcerten gedaan in de jaren tachtig en negentig. Moet ik daar niet eens een compilatie van maken? Maar ook mijn Vlaamse muziek. Die ben ik blijven schrijven, voor mezelf, ’s avonds, in de studio. Maar ik heb er nooit iets van uitgebracht. En zo zijn er heel veel zaken waarvan ik denk: ah, dat zou ik toch nog eens willen doen.

Dus door je brede interesse is er een flinke last ontstaan.
Ja, en die is moeilijk te structureren. Ik heb de indruk dat de chaos bij het ouder worden groter en groter wordt, terwijl alles eigenlijk simpeler en simpeler zou moeten worden! Je moet eigenlijk afbouwen. Maar in plaats daarvan wordt het moeilijker, en ben je minder energiek.

En dat terugkijken doet je niet tevreden achterover leunen?
Nee, zeker niet. Het dient ook om gemiste kansen recht te zetten. Ik heb veel dingen gemaakt die nooit het daglicht hebben gezien. Of die te weinig getoond zijn, voorstellingen die we maar één keer konden uitvoeren, maar waarmee we hadden moeten gaan toeren. Ik ben in de grond heel extravert. Ik wil alles laten zien en mijn hart ligt op mijn tong. Een van mijn belangrijkste drijfveren is altijd geweest: ik wil tonen waar ik mee bezig ben, op een manier dat de mensen het kunnen begrijpen. Bij de videokunst is dat bijvoorbeeld de reden dat ik mijn installaties ben gaan maken. Zodat ikzelf, en niet anderen, bepaalden hoe mijn video’s bekeken zouden worden. Dat heeft dan ook weer – sorry, ik spring dus van de hak op de tak – te maken met het feit dat wat ik maak niet in de bestaande routes past. Kijk, je maakt een singletje, en dat wordt op de radio gespeeld. Dat is het logische kanaal. Maar voor de dingen waar ik mee bezig ben, moet ik vaak zelf een kanaal oprichten, om het naar het volk te brengen.

Heb je het gevoel dat je te weinig publiek hebt gehad?
Ja. Dat gevoel heb ik nu.

Voelde je dat altijd al?
Meestal toch wel. Behalve bij Eurosong ha ha.

Kan het ook zijn dat je vaak je tijd vooruit was?
Ja, dat werd wel gezegd.

Maar denk je niet: ik heb het gedaan omdat ik het zo graag wilde doen, en dat is genoeg.
Dat vind ik gedeeltelijk ook wel. Maar het probleem is dat ik op het ogenblik moeilijk kan werken, omdat ik de middelen niet heb. Dus ja…. Met dansvideo’s, bijvoorbeeld, heb je weet ik niet hoeveel mensen aan het werk. Maar het is ook de tijd die veranderd is. Vroeger, in aanloop naar de LP die ik gemaakt heb, repeteerden we misschien wel twintig, dertig keer, met de beste muzikanten die er waren. Een hele middag, of een hele dag, en dan ’s avonds op café. Die mensen kregen daar geen halve frank voor. Gebeurt niet meer. Dat heeft te maken met het feit dat de mensen boter bij de vis willen krijgen. En ook met leeftijd.

Met leeftijd? Bedoel je dat er een focus op jonge mensen is?
Ja, dat in ieder geval. Tot mijn vijfenveertigste ben ik een ‘jonge, veelbelovende videokunstenaar’ geweest en vanaf mijn vijfenveertigste was ik ‘out’. Dat is zo’n raar fenomeen. Ik begrijp het ook wel: niet alleen de kunstenaars verjongen, maar ook de organisatoren. En natuurlijk richten zij zich vaak op mensen van hun eigen generatie en van hun eigen denkpatronen. Iemand die in de jaren vijftig geboren is, zoals ik, heeft een heel andere levensvisie dan iemand die in de jaren tachtig geboren is, gewoon omdat hij andere dingen meegemaakt heeft.

Terwijl je toch met een medium werkt – video – waar heel veel jongeren ook mee bezig zijn. Stromae die tijdens zijn concerten drie schermen gebruikt, dat gaat toch in de richting van wat jij altijd gedaan hebt?
Ik weet het, ik heb het op televisie gezien.

Misschien ben je gewoon nog niet oud genoeg? Over tien jaar raken jongeren waarschijnlijk geïnteresseerd in mensen die hun tijd vooruit waren.
Hm. Hm. Ken je die quote van Maria Lassnig, de Oostenrijkse kunstenares? Een avant-gardist die laat ontdekt wordt is geen avant-gardist. Het heeft ook te maken met de evolutie van de technologie. Dat zei ik in de jaren tachtig ook al: de populaire muziek wordt bepaald door wat ingenieurs in Japan bedenken. Als je nu terugluistert naar de nummers uit begin jaren tachtig, dan hoor je overal de LinnDrum. In de funk, in de rock ’n roll, bij Paul McCartney, in progressieve Prince-tracks. Wij gebruikten hem destijds ook, omdat hij toevallig in de studio stond. Dus de technologie bepaalt wat het speelgoed is, en de mogelijkheden van het speelgoed bepalen je eindproduct.

Hou je de nieuwe technische mogelijkheden bij?
Ik heb net een subsidie aangevraagd om onderzoek te doen naar het gebruik van Max/MSP, een programma dat eind jaren negentig in het Ircam in Parijs is ontstaan. Dat is een platform waar alle nerds uit de kunsten bezig zijn om programma’s te ontwikkelen die de reële wereld naar de digitale wereld brengen. Ik werk bijvoorbeeld heel veel samen met de Mozambikaanse muzikant Matchume Zango. Zijn instrument is de timbila. Dat is een groot xylofoonachtig instrument met een hele rare stemming. De timbila is moeilijk te combineren met onze westerse instrumenten, ook omdat de toonladder helemaal anders is. En nu zou ik willen uitproberen dat hij door op zijn timbila te spelen toch westerse noten speelt, en omgekeerd dat we de klank van een piano in de stemming van een timbila kunnen voortbrengen. Dat kan via Max/MSP, maar dat vergt technologisch onderzoek en daarvoor heb ik dus een beurs aangevraagd.

Je bent vaak in Afrika. Hoe is dat tot stand gekomen?
Dat gaat ver terug… Ik ben er in 1993 voor het eerst geweest, samen met Frank Michiels, de percussionist die er op het songfestival ook bij was. Nu speelt hij bij Clouseau, maar toen studeerde hij nog ethnomusicologie. Hij wilde voor zijn doctoraat met de ritmes van de Malinke-muziek werken en in Ivoorkust ging hij masterdrummers interviewen. Ik ben vijf weken met hem mee geweest en heb niet alleen de interviews gefilmd, maar ook allerlei andere zaken, zoals het maken van een djembé, en het dagelijkse leven in Ivoorkust. Die beelden heb ik later gebruikt voor mijn eerste concert, voor X-Afrika. Daarin vertrokken we van de ritmes die Frank heeft genoteerd, en dan verving ik bijvoorbeeld het ritme van de laagste trommel door het geluid van een trein. We ontmoetten de groep Kianzo in Ivoorkust en hebben hen over laten komen voor een creatie op een Brussels festival, en dat kwam allemaal voort uit de onwaarschijnlijke ervaring van die eerste reis.

Waarom was het zo’n ervaring?
Die mensen kijken zo anders naar het leven.

Hoe anders?
De meeste mensen die wij tegenkwamen hadden zo weinig, maar ze lachten altijd. En de manier waarop ze afspraken maken, of de manier waarop ze met leven en dood en ziekte en bloed omgaan, dat is allemaal anders. Ik was gefascineerd. Wij hechten zo aan onze rede, en ik voel dat er in Afrika een blik op het leven is die aan het verdwijnen is. Er zitten waarden in die cultuur die door onze logica en ons streven naar doeltreffendheid weggeduwd worden.

Nadat je verblijf in Ivoorkust ben je nog vaak terug geweest.
In 1998 was ik in Ouagadougou. Ten tijde van de Afrikaanse voetbalbeker had een Vlaamse beenhouwer daar een speciale saucisse, een worst, gemaakt, met de mascotte van die Coupe d’Afrique des Nations erop. Zonder dat hij daar toestemming voor had. Hij wilde er broodjes mee gaan verkopen in de stadions, er kwamen allemaal toestanden van. De Vlaamse televisie vroeg me daar een programma over te maken. Dat was heel tof. En via X-Afrika ben ik uiteindelijk in Mozambique terecht gekomen. Na de creatie in 1996 hebben we het, met een kleinere bezetting, een keer of tien gespeeld. In 2005 kreeg ik een aanvraag van het Belgisch Consulaat in Maputo, Mozambique. Ze wilden de opnames van X-Afrika laten zien. Ik zei: ‘Ik kom het concert wel doen, als u dat wilt.’ Sindsdien ben ik er elk jaar een of twee keer naartoe geweest. Er is een bloeiende dansscene, en ik deed workshops met sensoren en dansers. Later kwamen daar weer langere workshops van, aan de scholen voor beeldende kunst, steeds gericht op het maken van video, meer bepaald: videodans. Op het toneel en op het scherm tegelijkertijd. Ik ben dus in Afrika blijven hangen door workshops en nadien eigen producties te doen.

Zou je in Maputo willen wonen?
Ik zou er wel een jaar willen wonen, ja.

Een jaar?
Of twee jaar. Maar het is moeilijker en moeilijker aan het worden. Kwestie van veiligheid. En vooral: ik ken de taal niet. Als je door de politie wordt tegengehouden, die altijd geld wil, moet je eigenlijk Portugees kennen. Bovendien is Maputo door de ngo’s en de corporaties ontzettend duur. De prijzen van appartementen zijn ongelooflijk, en als ik bij mijn zwarte vrienden ga wonen, in hun wijk, moet ik wel een beetje opletten. Dan kan ik niet in mijn eentje buiten hun domein gaan. Ik weet niet of het ervan komt.

Je zei daarstraks dat je het gevoel hebt dat er soms te weinig publiek is geweest, behalve bij Eurosong. Hoe kwam je ertoe om daar aan mee te doen?
Ik was al bezig geweest met mijn eigen nummers. Daar kwam uiteindelijk, in 1979, de LP Cinema van. Maar ik ben daarmee gestopt omdat ik geen Vlaamse muziek meer wilde maken. Ik luisterde in die tijd naar Brian Eno en naar David Byrne van The Talking Heads, ik was met dat soort muziek bezig. En de platenfirma wou mij een contract geven voor drie Nederlandstalige LP’s.

Het liep ook goed! Er is iets was een enorme hit.
Ja, ik weet het, maar ik denk dat ik het toen niet kon, hè. Nu vind ik het spijtig dat ik destijds niet verder ben gegaan.

Waarom?
Omdat ik een oeuvre op had kunnen bouwen. Later had ik niet meer de middelen om de studio in te gaan. Maar na Cinema ben ik reggae gaan maken, we deden ons goesting. Na wat muziekprojecten die van korte duur waren, is toen Pas de deux ontstaan. Eigenlijk vanuit het idee: ik wil iets nieuws opbouwen, ik wil meer elektronische dingen doen, ik wil bandloops gebruiken, dat was waar ik toen mee bezig was. We brachten één singletje uit, in eigen beheer, en ik had daar zelf een videootje bij gemaakt. Die ben ik bij de omroep aan bepaalde mensen gaan voorstellen en toen zei iemand: ‘Er is een groep weggevallen bij Eurosong. Misschien kun jij dat wel doen dan?’ Zo zijn we erin gerold. We vervingen een groep, en ik weet nog altijd niet wie.

Jullie wisten natuurlijk dat jullie geen echte Eurosongliedjes maakten…
Ha ha ja, we wisten dat we niet gingen winnen. Daar gingen we natuurlijk vanuit. En ik ben geen zanger, hè? Een traditioneel lied zal ik nooit op het podium kunnen brengen, live, met orkest. Ik ben er eigenlijk nog steeds verwonderd over dat Dett en Hilde het zo goed hebben gedaan, want dat waren eigenlijk ook geen geschoolde zangeressen.

Maar je had voor Eurosong toch een wat traditioneler lied kunnen componeren.
Nee, juist niet! Ik zag het gewoon als een mogelijkheid om op twee televisieavonden onze muziek te laten horen aan het Vlaamse publiek. Dat was het. Er was eerst een voorronde waarin we drie liedjes moesten zingen, en daar werd er dan een van uitgekozen voor de finale Eurosongavond. Alles gebeurde met een jury en zonder publieksstemmen.

Degene die nummer twee werd, de zangeres Sofie, zei onlangs: ‘Als ik had geweten wie er in de jury zaten had ik nooit meegedaan.’ Als jullie geweten hadden wie de jury was, had je dan meegedaan?
Dat wisten we niet. En we waren er ook niet mee bezig.

Maar dacht je toen jullie uitgekozen waren: dit is niet helemaal de weg die ik wil bewandelen? Of vond je het juist leuk?
Ik vond het toch wel heel plezant. Sinds ik geboren ben kijk ik naar het songfestival. En dan kun je daar plots ook gaan staan, na Louis Neefs en Bobbejaan Schoepen. Dat is toch wel iets bijzonders. En ik heb dat toen in de mate van mijn mogelijkheden zo goed mogelijk proberen te doen.

Had je inmiddels een platenmaatschappij?
Ja, een klein label, Parsley Records. Die zijn vrij snel na het festival failliet gegaan. Ik denk niet dat dat volledig met ons te maken had, maar wel voor een deel. Ze zijn er niet helemaal goed mee omgegaan, denk ik. Rendez-vous is in een paar landen uitgebracht, maar door het faillissement heb ik daar nooit iets voor gekregen. Achteraf heb ik wel iets onwaarschijnlijks gehoord, dat nog nooit ergens verteld is. De grote platenfirma Phonogram heeft destijds contact opgenomen met Parsley Records om ons nummer over te kopen. En die hebben dat, zonder mij te verwittigen, geweigerd. Dan was Rendez-vous direct internationaal verdeeld geweest en dan was het compleet anders gelopen.

En dan waren jullie misschien doorgegaan?
Dat weet ik niet. Maar ik was zelf zeker doorgegaan.

Waarom zijn jullie opgehouden?
We hebben nog één of twee concerten gedaan, want we kregen veel aanvragen. Maar het ging niet. Wat nu de letterlijke aanleiding was, weet ik niet meer… We zaten in een proces dat nog maar net begonnen was, met onze groep, bedoel ik. Onder elkaar. Het was eigenlijk een spielereitje geweest. En vooral Hilde was helemaal niet van plan om zangeres te worden. We hebben het nog eventjes geprobeerd zonder Hilde, maar uiteindelijk is het mislukt, ik weet niet goed meer waarom. Die laatste concerten vielen niet mee.

Hoe bedoel je?
Die waren gewoon niet goed.

Er was geen ruzie?
O nee, nee, nee.

Jullie andere voorrondeliedjes waren Cardiocleptomanie en Cello.
Cello heette eigenlijk Shadow, daar heb ik nadien nog een videoritmiek bij gemaakt. De tekst was: ‘There is a shadow, running through my head, and the shadow is you.’ Dett heeft er toen een soort vertaling van gemaakt. ‘Er is een cello, en die klinkt in mijn hoofd en die cello ben jij.’ Net als Cardiocleptomanie, dat had oorspronkelijk ook wat meer tekst. ‘Jeux de mains, jeux de villains.’ En Dett heeft dat woord bedacht, ‘Cardiocleptomanie’, dat uiteindelijk als enige tekst overbleef.

En toen werd Rendez-vous gekozen voor de Eurosong-eindronde.
Ja, dat vond ik wel raar, want ik had liever Cardiocleptomanie gehad. Maar waarom koos de jury voor Rendez-vous? Omdat daar blazers in zaten. En Cardiocleptomanie was alleen maar elektronisch, dus dan was er niets te doen voor het orkest.

Hoe is Rendez-vous ontstaan?
Rendez-vous is gemaakt in de nacht voordat de partituren van de drie nummers ingeleverd moesten worden. Ik weet nog goed dat ik die avond eerst wat pinten ben gaan drinken in De Appel, een café hier. Daarna ben ik naar de studio gegaan. Er was eerst een langere tekst, die had de broer van Dett, Paul Peyskens, gemaakt. Ik had dat riffje dat er nu onder klinkt al en toen heb ik net voor de limiet de demo gemaakt, op een klein synthesizerke. Met ingekorte tekst. ‘Rendez-vous, maar de maat is vol,’ komt van Paul. Daar kon ik wel iets mee doen. ‘En mijn kop is toe’ heb ik toegevoegd.

Waar ging de oorspronkelijke tekst over?
Over een stukgelopen relatie, met logische zinnen. Ik heb er onlangs nog eens een melodie op gezet, op de hele tekst. Ik heb er een heel nieuw liedje van gemaakt. Maar dat heb ik nog niet ingespeeld.

Heb je ‘mijn kop is toe’ alleen gekozen op de klank?
Ik weet het niet meer. Het is wel een gevoel dat voor mij klopt, dat ‘mijn kop is toe’. In de psychiatrie heb je het visbokaaleffect, dat je het idee hebt dat je in een visbokaal zit en dat je de werkelijkheid door een glazen afscheiding waarneemt. Een gevoel dat tegen het hyperventileren aan zit.

De Nederlandse rubriek Achter het nieuws maakte een item over jullie, dat ingeleid wordt door een stem die zegt dat jullie ‘de Belgenmop van het jaar’ waren.
Ja, dat heb ik nooit begrepen.

Ook tijdens het festival hebben jullie wel wat over je heen gekregen. De Engelse commentator Terry Wogan noemde jou een ‘somewhat demented chap’. Iedereen had opeens een mening. Vond je dat grappig of lastig?
De eerste dagen nadat we gekozen waren hebben we veel tegenkantingen gehad. Er zijn heel veel boze brieven gestuurd, naar verschillende kranten, en naar de omroep, nu zouden we dat hatemail noemen. Ik heb die zelf trouwens niet gezien. Maar er kwam een omslag. Door de BRT werd beslist: we moeten het Vlaamse volk achter deze inzending krijgen. Ze zeiden: ‘We gaan jullie in allerlei televisieprogramma’s zetten.’ We kwamen zelfs in een rechtstreekse uitzending op de Franse televisie. Toen ons nummer gedaan was, kon de presentator zich de titel van ons nummer niet herinneren, hij zei: ‘C’est le groupe Pas de deux avec… hmm, je ne sais plus, mais ça n’a pas d’importance.’ Dus hij had ook niet echt naar het lied geluisterd. We deden het nochtans in het Frans! ‘Rendez-vous et les jeux sons faits et je suis à bout.’ We traden ook op in een programma van Marva, een chansonvedette. Zij was eigenlijk van de kant die tegen ons zou kunnen zijn, maar door met haar te praten hebben wij ons van een sympathieke kant kunnen laten zien. Het was echt een charme-offensief van de omroep. Bovendien werden we door de Belgische spoorwegen gesponsord. We gingen met een speciale Pas de deux-trein naar München, we mochten niet met het vliegtuig. Het was een soort party-train. Er zat zelfs een discotheek in.

Eerder al, na de winst op Eurosong, werden jullie bij de reprise van Rendez-vous door de aanhangers van andere artiesten behoorlijk uitgejouwd, compleet met door accu’s aangedreven toeters. Jullie moeten niet hebben geweten wat jullie overkwam.
Maar wat moesten we doen? We konden toch niet gewoon gaan zitten?

Jij maakte tijdens de reprise van het nummer gebaren naar de menigte, zo van ‘kom maar op met jullie lawaai.’
Ja, ik weet niet meer hoe dat zo kwam. Je moet weten dat wij die jury niet kenden. Maar de regisseur van het programma zei twee dagen ervoor bij een repetitie: ‘Walter, maakt u klaar, ge zou het weleens aan uw been kunnen gaan hebben!’ En daarmee was ik wel enigszins voorbereid. We hebben toen ook snel stickers laten maken, waarop stond: Rendez-vous in München. Dat werd ook nog een hele affaire. Die lieten we uitdelen in de zaal en daar kwam reactie op, natuurlijk. Ze zeiden: ‘Ze wisten dat ze gingen winnen, want ze hadden al stickers klaar!’ Ook al was dat helemaal niet waar.

Heb je spijt van je deelname?
Nee, ik heb er geen spijt van.

Heb je er profijt van gehad?
Dat is een grote vraag. Dat weet ik niet. In praktische zin heeft het me wel even geholpen destijds, ik denk dat ik wel een jaar of twee wat auteursrechten kreeg.

Maar in je carrière als kunstenaar?
Eerder niet dan wel, denk ik. Sommige mensen waren echt kwaad, mensen uit de serieuze of de alternatieve muziekwereld. Die vonden dat dat niet kon. Maar na tien, twintig jaar was dat niet meer zo, en nu vindt iedereen het fantastisch.

Na het festival hebben jullie Rendez-vous nauwelijks nog gezongen. Tot twee jaar geleden.
O, dat was echt tof. Er kwam een vraag van het festival The Sound of Belgian Underground, en dat kader was voor ons een heel goede reden om het te doen. We waren top-act op een festival van jonge, onbekende undergroundgroepen. Ze hadden echt voor ons gekozen. En eigenlijk is het wáár. We waren een undergroundgroep. Die weliswaar aan het songfestival had meegedaan, maar onze muziek was onbekend, zelfs in de alternatieve muziekwereld.

Waarom was het zo leuk?
Het eerste leuke was dat ik belde naar Hilde en Dett en dacht: die gaan dat nooit willen doen. Maar ze zagen het wel zitten.

Had je ze nog vaak gesproken?
Niet veel. Af en toe zijn we gaan eten, op belangrijke data, als Eurosong twintig jaar geleden was of zo. En nu gingen we opnieuw repeteren, dat was tof. We pasten de toonhoogte van sommige nummers wat aan, omdat onze stemmen lager geworden zijn. En we moesten op zoek naar muzikanten. Dat was nog niet zo simpel, maar langzamerhand ben ik er meer mensen bij gaan betrekken. In mijn eentje heb ik de opnames van vroeger terug ontleed en naar de technologie van nu gebracht. Maar vooral de reactie van het publiek op de avond zelf was heel plezant. Toen we opkwamen waren we precies de grootste stars. Er waren ook veel mensen die niet naar het festival waren geweest, maar speciaal voor ons kwamen. Maar ook jong volk dat begon te dansen. Ik zou het eigenlijk nog weleens willen doen. Maar ik word ook drieënzestig, hè. En het punt is: toen was het goed, omdat het uniek was.

Kun je Pas de deux niet met de muziek uit Afrika combineren?
Daar heb ik ook al aan zitten denken. Tijdens repetities in oktober, in Kaapstad, heb ik Cardiocleptomanie laten horen, en toen begon een van de zangeressen er een melodie op zingen.

Bij jullie reünieconcert toonde je op de achtergrond een video met geloopte beelden van jullie optreden op het songfestival. Je zou die toch ook met Afrikaanse beelden kunnen mixen? Of er een Afrikaans project van maken, rondom de oude liedjes?
Ja, ja. Ik zit soms te denken: ik doe een Afrikaanse Pas de deux. Of: ik maak een reggae-concert, met alle reggae uit mijn carrière, van Er is iets tot wat uit X-Afrika. Alleen: werken met de Afrikanen is plezant, maar het is moeilijk om te toeren of te verkopen. Ze wonen ver weg.

En je onuitgebrachte liedjes? Zijn die in de stijl van Cinema of meer Pas de deux-achtig?
Alle twee. Ik heb heel veel riffs en loops, maar ook liedjes, en wat bewerkingen van bestaande popmuziek. Destijds, na Cinema, had ik al nummers voor eventuele nieuwe LP’s en soms denk ik: daar moet ik terug aan beginnen. Want er zijn er destijds een aantal gesneuveld omdat ze niet ‘normaal’ genoeg waren. In Voor Hilde bijvoorbeeld komt een driekwartsmaat voor, die dan steeds weer stopt. Nu denk ik: dat had ik op zo’n plaat niet moeten doen. Toen de demo klaar was, zei Johan Verminnen, die ik toen al kende: ‘Doe toch die driekwartsmaat weg.’ Maar dat is wel typisch iets voor mij. En zo had ik nog een aantal eigenaardige nummers.

Als je jezelf uit die tijd terugziet, wat denk je dan?
Dat het leven niet serieus is, hè.

Hoe bedoel je dat?
Dat het van daaraf alleen maar achteruit gaat.

Vind je dat lastig om te bekijken?
Nee, ik vind dat plezant om naar te kijken. Maar ik stel mezelf de vraag of ik dat nog zou kunnen. Ik heb zo’n goesting om weer op te gaan treden, maar ik zie oudere artiesten een comeback maken en dan voel ik soms plaatsvervangende schaamte. Maar hoe we Pas de deux hernamen – ja, zo kon het wel, denk ik. En in 2012 heb ik als gast bij de Vlaamse groep Yevgueni opgetreden. We hebben Rendez-vous toen gecombineerd met Er is iets, dat werd één nummer van gemaakt. Dat was heel, heel tof. Nog altijd zeggen die gasten van Yevgueni: ‘Walter, we wisten niet wat er gebeurde toen je opkwam. Je was precies een superstar.’ En toen ik opkwam voelde ik me ook heel goed.

Dat ga je dus vaker doen.
Ja, maar het probleem is: op welk publiek moet ik mij richten? Ik zit nu zelf meer aan de alternatieve kant, maar ik heb vooral vrienden onder muzikanten uit de populaire muziek. Dan zou ik eerder in de culturele centra terechtkomen. Of richt ik mij juist op clubs, waar ik niet betaald word, maar wel meer credibility krijg? Wat ook kan: iets waarbij de videokunst centraal staat, zoals Pas de deux met zangeressen op film. En ga ik gewoon met een paar man optreden, met een percussionist en twee mensen met computer of klavier? Ik heb er al eens serieus over gedacht, en toen was de werktitel: Rendez-vous met Walter Verdin. Of ik combineer dus de songs van Pas de deux met een aantal Afrikaanse muzikanten, die zou ik dan naar hier moeten halen. Ik heb al met Matchume afgesproken dat ik hem mijn eigen muziek ga doorspelen, zodat hij eens kan proberen er iets mee te doen. Dat zou heel goed kunnen worden. Ambiance op het podium, met echte muzikanten op het podium. Ja, dat is wat ik tegenwoordig mis en wat ik wel weer graag zou willen laten zien. Ambiance. En een beetje anarchie.

 


WALTER VERDIN IN DRIE VIDEO’S

1.
Fragmenten uit Timbila Tracks

 

 

‘De oude man die je in het begin ziet is Venancio Mbande, vorig jaar juni gestorven. Hij was een van de grootmeesters. Met zijn timbilaorkest reisde hij al in de jaren zestig de hele wereld af. Hier zie je een kleine versie van dat orkest, met enkele van zijn zonen. Zo’n orkest kan normaal gezien tot dertig timbila’s bevatten. Ze spelen hier een van zijn composities.
Na een halve minuut zie je Matchume Zango, tijdens de première van ons concert Timbila Tracks. Ik heb hem in 2005 in Maputo ontmoet. Hij is lid van een hele belangrijke timbilagroep: Timbila Muzimba. Hij is van een Chopi familie, ze wonen in een buurt waar allemaal muzikanten door de regering ooit bij elkaar gezet zijn. Hij begon als danser, maar ging stilletjes over naar de muziek. Hij reist de hele aarde af, veel meer dan ik.
Rond 1:05 zien we de choreograaf van het gezelschap. Onder zijn dans hebben we muziek gezet, en vanaf 1:38: Matchume aan het water. Achter hem zie je de skyline van Maputo. Hij speelt hier op een tenortimbila, een kleinere timbila, en dat combineren we dan met filmpjes van kinderen. Die waren eigenlijk aan het meeklappen met iets anders. En er tussendoor zie je die overleden Venancio weer, dat was gewoon bij hem thuis.
De dansopnames (rond 4:34) zijn achter Matchumes huis gemaakt, op een zondagmiddag. Matchume zei: ‘Hé Walter, je moet komen.’ We gingen eerst kip eten, met zijn vrienden, en veel drinken, en daarna begonnen ze muziek te maken en te dansen. Iedereen uit de buurt kwam bijeen. Er zitten echt toffe beelden bij.
Op 5:10 zie je Alberto Mula, een bekende marrabenta zanger (Mozambikaanse dansmuziek, die traditionele ritmes combineert met Portugese folk), die een liedje van zichzelf zingt. Hij is intussen ook al overleden.’

 

2.
Kerstboodschap Koning Albert II, 2010. Remix.

 

 

‘Ik vind dat de kunstensector zichzelf teveel op een piëdestal zet en dat er daardoor te weinig aandacht is voor de kunst. Omdat de kunstwereld zich te elitair gedraagt. Ik erger mij aan zogenaamde progressieve denkers die zeggen dat we moeten proberen zoveel mogelijk mensen naar ‘boven’, naar het elitaire, te trekken. Dat betekent eigenlijk dat zij de waarheid in pacht hebben, dat zij meer waard zijn dan anderen en dat is dus niet waar.
Op diezelfde manier gaan wij met Afrika om. Maar dat is een heel moeilijke zaak. Na mijn project X-Afrika bijvoorbeeld, vond ik achteraf dat ik de Afrikanen die eraan meededen te veel onze canon heb opgelegd. Dat probeer ik nu met Matchume niet te doen, al voel ik dan soms weer het omgekeerde: dat ik daarin eigenlijk weer te weinig mijn eigen canon kwijt kan. Daarom zie ik het koppelen met Pas de deux zeker zitten, maar hoe moet ik dat doen zonder het idee te wekken dat het éigenlijk om mijn muziek gaat en dat hij even mee mag doen? Met het gevaar dat de aanwezigheid van de Afrikanen weer als iets exotisch gezien wordt. Het is een moeilijk evenwicht. En dan is er nog iets: mijn composities zijn spielerei bij de composities van die gasten. Die van hen zijn de weerslag van een cultuur die gedurende jaren is ontwikkeld.’

 

3.
Monoloog van Fumiyo Ikeda op het einde van Ottone Ottone.

 

 

‘Dat is de video waarmee ik bekend geworden ben. Ik vind het zelf ook een van de beste dingen die ik gemaakt heb. Ik registreerde in de jaren tachtig Ottone, Ottone, een dansvoorstelling van Anne Teresa De Keersmaekers gezelschap Rosas. Fumiyo Ikeda was een van de dansers. Ik filmde destijds gewoon de voorstelling, en helemaal op het einde is er nog een laatste monoloog. Wij hadden alles met drie camera’s opgenomen. Maar toen alles klaar was, en iedereen zich ging omkleden, kwam Fumiyo naar me toe en zei: “Walter, mijn tekst was niet goed, kan ik het niet nog eens doen?” Dat is deze video geworden. Het werd een hit in de danswereld. Iedereen die in die tijd met videodans bezig was, kende hem. Marina Abramović liet dit zien tijdens haar spreekbeurten in Amerika. Het is een van de Greatest Hits. Die gaan ze bij mijn dood laten zien. Samen met Rendez-vous dan. Daar kan ik niks meer aan doen.’

 


WALTER OVER HET GEBRUIK VAN VIDEO OP HET SONGFESTIVAL

1.
Letland 2015: Aminata – Love injected.

 

 

‘Ah, dat ken ik, dat is goed. Ja ja, dat is zeer mooi, ik wou dat dat gewonnen had. De videobegeleiding is goed gedaan, al vind ik het wel een beetje kitsch. Die lage spots vind ik wat teveel. Het rood-witte vind ik wel sterk en het feit dat het precies de muziek volgt. Bij het werk van veel van die vj’s is er geen connectie tussen beeld en muziek. Hier wel. Het begin is zeer mooi. En het einde, met die stralen op haar jurk, op haar voorhoofd en in de achtergrond, dat ook. Maar het is wel een beetje overdone. Iets te pompeus, een soort U2-effect, alsof we  in een stadion zijn.’

 

2.
Ierland 2011: Jedward – Lipstick.

 

 

‘Ah, ja, dat is die tweeling. Maar die spots! Die zijn toch veel te heftig, zo helemaal in het begin. Ik ben daar echt niet voor. Goh, nu zie ik dat onze Loïc daar veel van overgenomen heeft, zeg. Die choreografie lijkt daar op, echt onwaarschijnlijk! Maar het is allemaal teveel, hè. Soms zie je hen zelf niet meer staan. Vergelijk het met een show van Kraftwerk, die doen dat toch veel pakkender. Ik had het beter gevonden als er geen dansers in de videobeelden waren gebruikt. Ja, met abstracte figuren was het beter geweest. Nu heb je teveel verschillende dingen die verteld worden. Eerst iets ritmisch, een beeldende melodische lijn die weergegeven wordt, en dan ineens zie je, nog steeds op de videowall, figuren lopen, als dubbele Jedwardjongens. Het worden drie lagen: de zangers zelf, de abstracte figuren en dan nog eens de dansers op de wall. Nee, Aminata vond ik dan veel stijlvoller.’

 

3.
België 2015: Loïc Nottet – Rhythm inside.

 

 

‘Ge moet weten, de persoon die de tekst van dat nummer geschreven heeft, Beverly Jo Scott, die heeft in 1985 nog tijdens een van mijn videoconcerten gezongen. Toen ik met haar ging repeteren kwam ik haar huis binnen en wie ging er juist naar buiten? Michel Moers, de zanger van Telex, de Belgische inzending voor het songfestival van 1980. We zeiden: “Het is hier gewoon Eurovisie vandaag!” Dertig jaar later schrijft ze er zelf een nummer voor. Maar goed, Loïc ziet er voor mij iets teveel uit als de plechtige-communie-jongen. Te netjes. Het gebruik van de video vind ik goed. Maar dat dansen van de backings… Ik weet niet waarom dat per se moet. Het doet mij aan schooltoneel denken. Ik weet niet wat ik van het liedje moet denken. Ik vind dat het geen hook heeft, behalve dan dat ‘Rappapap’. Dat is hetzelfde bij What’s the pressure, dat wij dit jaar gekozen hebben, dat mist ook een hook. En bij dat lied vind ik het spijtig dat de baslijn zo op die van Another one bites the dust lijkt. Het beeld aan het begin met die vijf dansers is wel heel schoon. En Laura Tesoro zingt goed, zonder problemen. Ik denk dat zij, als ze goed omringd wordt, wel toekomst heeft. En ze is slim. Ze kan de domme vragen bij interviews goed aan.’

 


Lees ook onze andere interviews met oud-Eurovisiedeelnemers:

Og3ne (Nederland 2017)Jamala (Oekraïne 2016)Ann Sophie (Duitsland, 2015)Softengine (Finland 2014)Paradise Oskar (Finland 2011)Ralf Mackenbach (Nederland junior 2009)Alexander Rybak (Noorwegen 2009, 2018)Hind (Nederland 2008)Geir Rönning (Finland 2005)Paul de Corte (Re-union, Nederland 2004)Liliane St-Pierre (België 1987)Ami Aspelund (Finland 1983)Walter Verdin (Pas de Deux, België 1983)Stella Maessen (Nederland 1970, België 1977, 1982)Linda Williams (Nederland 1981)Sandra Reemer (Nederland 1972, 1976, 1979)Heddy Lester (Nederland 1977)Lenny Kuhr (Nederland 1969)Thérèse Steinmetz (Nederland 1967)